Oudheidkundige Vereniging “HERDEREWICH”

Laatste Nieuws. Activiteiten. Vereniging/Vischpoort. Harderwijk. Hierden. Verhalen over .... 2e Wereldoorlog. Onze sponsoren. Bibliotheek en Shop. Vittepraetje. Archief. Lidmaatschap. Links. Contact.

VERHALEN OVER PLAATSEN


• De Luttekepoort

• Een paaltje met een verhaaltje

• Eendenhouderijen in Harderwijk en Ermelo

• De geschiedenis van “VOL MOED”

• De Universiteit van Harderwijk

• Bos en stuifzand rond Harderwijk


DE LUTTEKEPOORT

Nu er bijna op de plaats van de Luttekepoort een parkeergarage is gebouwd is het misschien aardig om eens terug te kijken naar het verleden deze voormalige stadspoort.


De Luttekepoort was in het verleden één van de vijf s...tadspoorten en één van de drie landpoorten, want naast de Luttekepoort gaven ook de Grote Poort en de Smeepoort toegang tot Harderwijk. De poorten maakten deel uit van de vestingwerken, stadsmuren en stadsgrachten van Harderwijk. Ze boden bescherming tegen rondzwervende troepen rovers en vagebonden en voorkwamen anderzijds dat bewoners van Harderwijk de stad ongezien konden verlaten. Daarvoor moesten ze via de stadspoorten die meestal door een poortwachter werd bewaakt. In de oudste tijden was de naam van de Luttekepoort St. Nicolaaspoort, omdat de weg naar de St. Nicolaaskerk er langs liep. De kerk lag buiten de stadspoort (ongeveer op de plaats van Albert Heijn) en ging in 1415 door brand verloren. De naam van de poort veranderde toen in Luttekepoort, genoemd naar het bos wat daar in de buurt lag, het Luttick Loo.


De poorten en vestingwerken boden maar beperkt bescherming tegen onheil en konden in 1672 niet voorkomen dat Harderwijk werd bezet door troepen uit Munster en Frankrijk. Toen de Franse troepen zich in 1673 terugtrokken werden de vestingwerken opgeblazen en sneuvelde ook de Luttekepoort. Tegen de resten van de poort werd in de 19de eeuw een muurhuis geplaatst. De achter- en zijkant daarvan bestaat nog uit een gedeelte van deze oude poort. Bij de recente bouwwerkzaamheden aan de parkeergarage en de Vitringasingel (2009) zijn grote delen van de voormalige Luttekepoort tevoorschijn gekomen. Archeologen kregen maar weinig tijd om hun vondsten in kaart te brengen en werden bovendien gehinderd door de enorme omvang van de resten. Een gedeelte van deze oude muren heeft overigens plek gevonden in de nieuwe parkeergarage. De andere delen zijn opnieuw onder het nieuwe wegdek verdwenen.


De bouw van de Luttekepoort heeft waarschijnlijk aan het eind van de 16de eeuw plaatsgevonden naar tekeningen van Ingenieur Adriaan Anthonisz die ook voor veel andere steden de vestingwerken heeft ontworpen. Harderwijk verkreeg subsidie van de Staten-Generaal en de Staten van Holland. Voor haar vuurproef, het tegenhouden van Munsterse en Franse troepen in 1672, is de Luttekepoort niet geslaagd en dat heeft ze uiteindelijk moeten bekopen met haar afbraak.


Later bestonden de restanten van de Luttekepoort uit twee pijlers die de toegang naar de stad markeerden, maar ook deze zijn verdwenen. Op oude kaarten van de Luttekepoort zijn ze nog vaak afgebeeld. Hoewel de poort er al heel lang niet meer is, is de aanpalende straat, de Luttekepoortstraat, een van de oudste straten van Harderwijk, er nog steeds. Maar ook in deze straat heeft het anno 2012 niet gemakkelijk, waardoor de ene na de andere winkel verdwijnt. Alle aandacht voor het Citymanagement ten spijt, het winkelbestand krimpt steeds meer in. Het goede nieuws is, dat er nu wel weer genoeg parkeergelegenheid is.

EEN PAALTJE MET EEN VERHAALTJE

Wie regelmatig in het Harderwijker bos wandelt kan ze niet zijn ontgaan, betonnen paaltjes in de buurt van Sonnevanck. Ze worden op dit moment weggehaald en een grote partij ligt gestapeld bij de Beltweg, en die paaltjes hebben een verhaaltje. ´Een paaltje met een verhaaltje´dus deze keer.

OGB DesignDe afzetting is gebruikt om het 20 hectare grote terrein van Sanatorium Sonnevanck af te palen, want daar was men vroeger niet gek op pottenkijkers. Patiënten die met tuberculose in het sanatorium waren opgenomen waren besmettelijk, dus hield met gezonde wandelaars liever buiten en de zieke wandelaars binnen. Want als de patiënten aan de beterende hand waren mochten ze buiten, op het terrein van Sonnevanck een boswandeling maken. De betonnen paaltjes zijn waarschijnlijk door patiënten zelf gemaakt. In Sonnevanck was men zoveel mogelijk ´self-supporting´ dus wat men zelf kon, deed men zelf. Tuberculose, een ziekte die voor de Tweede Wereldoorlog veel slachtoffers maakte, was moeilijk te genezen en dat proces duurde vaak jarenlang. De patiënten waren jaren uit hun omgeving en na hun genezing was het erg moeilijk voor ze om werk te vinden. Ook in die jaren heerste er een zware economische crisis.


Om de patiënten enigszins te kunnen voorbereiden op hun toekomst bedacht men in Sonnevanck een afdeling arbeidstherapie, een soort ‘revalidatieafdeling’ als het ware. Samen met de Christelijke Vakbeweging C.N.V. startte men met Nieuwe Wegen, waar, hoe symbolisch, de patiënten zich, voor ontslag uit het sanatorium konden voorbereiden op hun nieuwe toekomst. In het begin van de revalidatie deed men gedurende enkele uren per dag licht werk, naarmate dat beter ging werden de werkzaamheden uitgebreid en kon men zwaardere werkzaamheden verrichten gedurende een langere periode. Het gieten en plaatsen van de betonnen paaltjes viel daar waarschijnlijk ook onder. Anderen werkten op de boerderij of in de grote volkstuin die bij het complex lag.


De grote man achter de afdeling arbeidstherapie was de heer J. Tavenier, die als een soort alleskunner binnen Sonnevanck werkzaam was. Behalve hoofd van de technische afdeling was hij tekenaar, architect, timmerman, leraar en therapeut en het moet een bevlogen mens geweest zijn. De patiënten konden op Nieuwe Wegen een vak leren om na hun genezing toegerust de arbeidsmarkt te kunnen betreden. Overigens viel dat in de praktijk nog niet mee, want de arbeidsomstandigheden waren zwaar en de dagen lang. Veel oud-patiënten zullen dus uiteindelijk toch slachtoffer van de ziekte en de crisis zijn geworden.


Nog even iets over het bos bij Sonnevanck, toen de gemeente een stuk van het bosgebied naast Sonnevanck aan een Rijkspsychiatrische Inrichting wilde verpachten kwam Sonnevanck zwaar in het verzet. Zo´n instelling wilde men niet als buren en uiteindelijk ging het ook niet door. Het Rijkspsychiatrische Inrichting ging naar Eindhoven en werd geen concurrent voor Sonnevanck. Het bos bleef vrij toegankelijk voor wandelaars en everzwijnen. De paaltjes die nu worden weggehaald, waren duurzaam. Ze hebben er langer dan zestig jaar gestaan en hun makers hebben er iets ingebakken, ‘de hoop op een betere toekomst’. Daarom is het goed er nu nog even bij stil te staan.

EENDENHOUDERIJEN IN HARDERWIJK EN ERMELO

Rond het jaar 1920 werden in Noord-Holland door vissers en boeren op kleine schaal en als bijverdienste eenden gehouden. Deze eenden werden in hokken gehuisvest en scharrelden overdag hun kostje bij elkaar. Omdat ze werden bijgevoerd keerden ze ’s avonds naar hun nest terug. De eieren die de dieren legden werden verkocht en dat leverde wat extra inkomsten op in een moeilijke tijd. Een aantal Harderwijkers besloten om het eendenhouden op professionele basis te gaan beoefenen en kochten grond aan de Harderwijkerweg. Ze bouwden hokken en gingen van start met een aantal witborsteenden. De dieren werden gevoerd met nest, bijvangst van de visserij. Er werd met ze gefokt en langzamerhand ontstond er een soort die wel 300 eieren per OGB Designjaar legde, een optimale productie.


Die eerste eendenhouders deden het zo goed, dat ze al snel navolging kregen van anderen, o.a. van vissers die na de afsluiting van de Zuiderzee gestopt waren met de visserij. Dank zij de eendenhouderij werden in Harderwijk in de crisistijd toch goede zaken gedaan. Veel eieren werden naar Duitsland en Engeland geëxporteerd en een deel ging naar de NIVE in Nunspeet. In het laatste jaar voor de oorlog waren er ongeveer 800.000 legeenden in onze omgeving. Tonsel werd het centrum van de eendenhouderij en later werd ook de Parallelweg in Hierden ingericht als eendengebied.


Net als bij andere bedrijfstakken werden de productiemethoden verbeterd en werd getracht met zo weinig mogelijk kosten een zo goed mogelijk resultaat te behalen. Telkens werd geprobeerd om met kruisen en fokken een zo sterk mogelijk eendenras te ontwikkelen. De bedrijfstak liep in de oorlog grote averij op omdat de export bijna geheel stil kwam te liggen en omdat alle eendeneieren voor consumptie minstens 10 minuten gekookt moeten worden. Ook de voedselvoorziening voor de eenden werd nijpend, omdat er bijna geen vis en nest meer werd aangevoerd. Na de oorlog treedt herstel op, onder meer omdat men overging op de pekingeend. Naast eieren levert deze soort ook vlees, terwijl dons en de veren voor de vulling van dekens en kussens gebruikt konden worden. Naast eieren leverden de eenden dus twee andere producten. De eendenhouderijen kregen in toenemende mate concurrentie van kippenhouders, omdat kippeneieren goedkoper waren dan die van eenden. In de tijd van economische groei werd het moeilijk om personeel te vinden die op de eendenhouderijen willen werken, waardoor de productiekosten omhoog gingen. De laatste jaren zijn de regels voor het houden van eenden flink aangescherpt en moest er veel geïnvesteerd worden. Ook de vogelpest heeft de sector geen goed gedaan. Al met al heeft de eendenhouderij zijn langste tijd gehad, maar de sector heeft in Harderwijk, Ermelo en Hierden zeker bijgedragen aan de economische voorspoed. Er zijn diverse producten uit voortgekomen en het heeft veel werkgelegenheid geboden aan mensen uit Harderwijk en omgeving.

(Bron: Joop Arends, VSE)

DE GESCHIEDENIS VAN “VOL MOED”

In deze tijd van ‘koek en zopie’ is het aardig eens te kijken naar de geschiedenis van onze IJsclub ‘Vol Moed’, een club met een rijke historie. In 1908 is Vol Moed opgericht maar het was niet de eerste schaatsvereniging in Harderwijk. Al in 1879 werd de Harderwijker IJsclub opgericht, maar deze vereniging had een bestuur dat als ‘laks en lauw’ betiteld werd en dat had zijn effect op het ledenaantal. Deze vereniging liet het regelmatig afweten en kwam daardoor in financiële problemen. De besturen van Schietvereniging ‘Willem Tell’ en Kegelclub ‘Alle Negen’ vonden dat geen stijl en namen de organisatie van schaatswedstrijden toen maar op zich. Dat resulteerde in 1908 in de oprichting van IJsclub Vol Moed. Het nieuwe bestuur bestond uit de heren De Mooij, Bakker, de Vries, Cageling, Hamstra en Veensta en men kon de boedel van de oude schaatsvereniging overnemen.


Er werd in die tijd geschaatst op de Friese Gracht en de Diepe Gracht, maar Vol Moed vond die banen te klein. Er werd dan ook uitgekeken naar een andere mogelijkheid en die vond men op De Wellen, zoals de grond buiten de stadsmuur werd genoemd. Met verzoeken van de nieuwe schaatsclub, zo’n honderd particulieren en het bestuur van Harderwijk Vooruit kon de gemeente Harderwijk niet anders dan het verzoek van Vol Moed inwilligen en vanaf 1912 kreeg men in de winter de beschikking over het stuk grond dat nu als De Stille Wei bekend staat en waar de ijsbaan nog steeds ligt. Men kon het weiland huren voor 25 gulden per jaar. Het schaatsplezier was niet anders dan tegenwoordig, het verenigde jong en oud, arm en rijk, burger en militair en er waren vaak lange, koude winters. Een belangrijk fenomeen was het rijden om ‘spek en bonen’, schaatswedstrijden waarbij het karige rantsoen voor de winter kon worden aangevuld. De prijzen werden beschikbaar gesteld door overheid en middenstand en de belangen waren groot. Een flink stuk spek in de pan was nooit weg in de tijd waarin veel mensen het arm hadden. In de beruchte winter van 1963 organiseerde Vol Moed voor het eerst de Veluwemeertocht, een lange tocht over het Veluwemeer via Elburg naar Kampen. Ze deed dit samen met de clubs uit deze plaatsen en het werd een sportieve wedstrijd. Roelof Bakker werd in een tijd van 2 uur, 12 winnaar. De Veluwemeertocht werd, als de mogelijkheid daar was, herhaald, de laatste keer in 2010. Naast grote schaatsers kende Vol Moed grote vrijwilligers en bestuurders en, zoals Cor de Haan, Aalt Jansen en Peter Michelsen. Vol Moed is een vereniging met grote slagkracht. Zo is het oude clubgebouw na een brand in 2011 in korte tijd geheel opnieuw opgebouwd. En als een kroon op dat werk past een mooie winter met veel schaatsplezier.

DE UNIVERSITEIT VAN HARDERWIJK

OGB DesignDe Universiteit van Harderwijk bestaat tegenwoordig nog slechts in de fantasie van Professor Fetze Alsvanouds, een typetje van Aart Staartjes, maar in het verleden bestond ze echt. De Academiestraat, het Linnaeus torentje en de Catharinakapel herinneren nog aan deze universiteit, die in 1648 werd opgericht. Ook de Hortus Botanicus, de universiteitstuin was beroemd. Ook deze is deels bewaard gebleven en nog steeds te bezoeken.


Door het in 1648 al bestaande Gymnasium om te vormen tot Universiteit hoopte men financiële middelen te verwerven uit de provincie Gelderland. Dat gebeurde ook, de Gelderse gewesten zegden zo’n 8.000 gulden per jaar toe, althans dat was hun voornemen. Ze maakten deze belofte echter meestal niet waar, waardoor de universiteit van Harderwijk een van de armste van het land werd. Er kon echter wel gestudeerd worden in de godgeleerdheid, rechten, geneeskunde, filosofie, geschiedenis en welsprekendheid en men kon er promoveren tot de doctorsgraad.


Met promoties kon de universiteit geld binnenhalen, om het schamele budget aan te vullen of als extra toelage voor professoren en docenten. De voorbereidingstijd om te promoveren was in Harderwijk kort. Men hoefde er de colleges niet te volgen, dat mocht elders, en ook het proefschrift mocht men elders schrijven. Studenten van heinde en ver togen naar Harderwijk, lieten hun proefschrift drukken en zochten een professor die hun wilde examineren. Dit gebeurde in het Latijn, de universele taal der wetenschap. Indien de student de rekening betaalde en met goed gevolg zijn ‘rede of dissertatie’ uitsprak en het examen hierover doorstond, ontving hij de doctorstitel en bul. In vergelijking met andere universiteiten was Harderwijk goedkoop en men ontliep de kosten van een groot feest. Dubbele reden dus voor arme studenten om naar Harderwijk te komen om juist daar te promoveren.


Veel beroemd geworden geleerden studeerden af in Harderwijk, zoals Carolus Linnaeus, Herman Boerhaave, Herman Willem Daendels, Constantijn Huygens. In Harderwijk zijn er diverse straten naar geleerden vernoemd. De aanwezigheid van de hooggeleerde heren en studenten gaf Harderwijk in de 18de eeuw het nodige cachet. De geur van geleerdheid en belangrijkheid hing in de stad en de middenstand, zoals drukkerijen en tapperijen hebben er flink van meegeprofiteerd. Aan het eind van de 18de eeuw liep het aantal studenten terug en dat had negatieve gevolgen voor de inkomsten, dus ook de hoogleraren trokken weg. In de Franse tijd (1811) werd de Universiteit van Harderwijk door Napoleon opgeheven. Het hoger onderwijs verdween daarmee uit Harderwijk en daarmee ook de studenten die leven in het stadje hadden gebracht. De universiteit werd vergeten alleen het volgende rijmpje bleef over:


Harderwijk is een stad van negotie

Men verkoopt er bokking, blauwbessen en bullen van promotie


Daarmee werd gesuggereerd dat je in Harderwijk je doctorstitel kon kopen, maar daarvoor is nooit bewijs gevonden. De universiteit van Harderwijk was alleen wat moderner dan de andere Universiteiten en Hogescholen. Helaas kwam dat haar bestaansrecht uiteindelijk niet ten goede.

BOS EN STUIFZAND ROND HARDERWIJK

Eind jaren negentig is stuifzandgebied ‘Beekhuizerzand’ gerealiseerd, een omvangrijk landschapsproject. Een van de doelen was om meer variatie in het landschap aan te brengen en oude stuifzandgebieden in ere te herstellen. In dit gebied zijn dennen gerooid en is met behulp van bulldozers de bedekkende heidelaag verwijderd zodat de onderlaag, het stuifzand weer aan de oppervlakte kwam. Wie tegenwoordig het Beekhuizerzand betreedt, waant zich in een woestijn en het lijkt alsof het er nooit anders geweest is. Dat is misleidend, want jarenlang was het gebied beplant met heide en dennen en was er van stuifzand geen sprake.


OGB DesignIn het verre verleden was dat wel het geval. Grote delen van de Veluwe bestonden uit stuifzand, er waren maar liefst 27 stuifzandgebieden bekend. Het stuifzand bij Nunspeet was het grootste van de Veluwe en sloot aan op het Hulshorster- en Leuvenumsezand. Deze stuifzandgebieden dateerden uit de Middeleeuwen en dus ook in de omgeving van Harderwijk bestonden deze troosteloos uitziende zandgebieden.

Het stuifzand was ongeschikt voor bebouwing of veeteelt, om de simpele reden dat er niets wilde groeien en dat akkers, als ze er al waren, na een flinke storm door zand bedekt konden worden. Om economische redenen werden in de 19de eeuw tal van gebieden beplant met dennen en ontgonnen, om in de houtbehoefte van steden en dorpen te kunnen voorzien. Hout leverde bouwmaterialen en brandstof en kon verwerkt worden tot stutpalen voor mijnbouw. Een groot gedeelte van de huidige bossen is om die reden aangeplant waardoor het oorspronkelijke stuifzand verdween. Het karakter van de omgeving van Harderwijk veranderde ingrijpend. De veronderstelling dat de Veluwse bossen en verstuivingen natuurlijk zijn is misplaatst. Het zijn in cultuur gebrachte landschappen.


Voormalige bossen in de omgeving van Harderwijk zijn nog te herkennen aan de namen van wijken. Zo kennen we de Stadsdennen en de Wittenhagen, in vroeger tijden grote percelen aangeplant hakhout. Ook het Slingerbosch refereert aan een bos in de omgeving van de stad.

Dit Slingerbosch is vermoedelijk in het begin van de 19de eeuw ontstaan door ‘slingers’ bos aan beide kanten van de Oranjelaan. Het Slingerlaantje aan de oostkant herinnert hier aan, aan de westkant heeft de Jan van Nassaukazerne de plaats van het bos ingenomen.

In een krantenartikel uit 1894 wordt melding gemaakt dat een groot gedeelte van het bos dan al is gekapt. De aanleg van de spoorweg, de rijksweg A28 en de woonwijk Slingerbos hebben de rest gedaan.


De Stadsdennen is het bos vanaf het huidige Van der Valkhotel naar Sonnevanck, waar o.a. de trimbaan ligt. De wijk Stadsdennen ligt dus op een geheel andere locatie, maar mogelijk is hier vroeger eveneens een aanplant van bos geweest. Aan de andere zijde van het Stadsdennenbos ligt het Strokelbos, waarvan de naam is afgeleid van een lange, smalle strook grond. Hoewel de omgeving van Harderwijk tegenwoordig bosrijk is, is dat dus lang niet altijd zo geweest. Uitgebreide, vlakke zandgronden omringden de stad en maakten bebouwing onmogelijk. Dat kwam deels goed uit. In verband met de verdediging van de stad was een vrij uitzicht nodig. Bovendien waren de sporadische wegen die door het zand naar de stad liepen, goed te bewaken.


(Bron: Van Holst tot Strokelbos, T. Goossens, Vittepraetje 2001, nr. 4)