|
VERHALEN OVER GEBOUWEN • Veldwijk 125 jaar• De Vischpoort• De vestingwerken van Harderwijk• Het koloniaal werfdepot• Sanatorium Sonnevanck |
• VELDWIJK 125 JAARVoor deze historische column maken we een uitstapje aan Ermelo, iets dat we dit jaar vaker zullen doen. Psychiatrisch Ziekenhuis Veldwijk bestaat namelijk 125 jaar. Je zou bijna vergeten dat er een tijd was waarin en nog geen psychiatrische zorg was, maar ook die tijd is er geweest. Heel vroeger, de tijd voor Veldwijk, werden geesteszieken opgenomen in zogenaamde ‘dolhuizen’, de voorloper van de psychiatrische centra. Hoewel opname en verblijf in een ziekenhuis nooit leuk is waren de ‘dolhuizen’ wel heel erg. Je moet je voorstellen dat tientallen zwaardgestoorde mensen in een grote zaal door elkaar liepen met een minimum aan zorg. Er waren geen medicijnen dus afwijkend gedrag was eerder regel dan uitzondering en iedereen schreeuwde door elkaar. De penetrante geur van urine en ontlasting was overheersend aanwezig en geweld was aan de orde van de dag. Een paar sterke broeders zorgden voor de handhaving van de orde en tucht en verstrekten eten. Extreem agressieve mensen werden vastgebonden of geketend, dat was het dan ook zo’n beetje. Geen wonder dat de mensen er niet oud werden. Rond 1860 werd men zich steeds meer bewust van de maatschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van deze groep zieken en dit kwam vooral vanuit de protestantse kerken. Lucas Lindeboom, predikant uit Zwolle was een van deze mensen en werd medeoprichter van Veldwijk. Hij was voorzitter van de Christelijke Verzorging van Krankzinnigen en Zenuwlijders, de vereniging die Veldwijk exploiteerde. ‘Als zorg niet geboden kan worden door ouders of familie, doen wij het’, stelde hij daadkrachtig. De oude psychiatrische gestichten bestonden uit grote paviljoens waar een huisvader en moeder de scepter zwaaiden en zorg boden. Die zorg bestond vooral uit huisvesting en voeding en men probeerde de patiënten in het gareel te houden. Omdat er geen medicijnen waren werd vaak zware arbeid aangeboden om de mensen uit te putten en moe te laten worden, dan waren ze beter te handhaven.
|
• DE VISCHPOORTHet is het meest aansprekende plekje in Harderwijk. Bruidsparen zijn er dol op en
ook fotografen zijn er niet weg te slaan. We hebben het over De Vischpoort, de toegangspoort
van de Boulevard naar de Vischmarkt en het meest geschilderde stukje Harderwijk.
De Vischpoort is de enig overgebleven poort in de stadsmuur van Harderwijk. De Hoge-
|
• DE VESTINGWERKEN VAN HARDERWIJKToen Harderwijk in het jaar 1231 stadsrechten ontving van Graaf Otto de 2de van Gelre kreeg de stad het recht een stadsmuur te bouwen. Met dat recht was de muur er nog niet, want het realiseren van een dergelijk bouwwerk was een langdurig een arbeidsintensief proces. Vermoedelijk zijn de eerste muren wallen van aarde geweest die hier en daar met hout en paalwerk werden verstevigd. Harderwijk werd daardoor een verdedigbare vesting en kon als strategisch steunpunt dienst doen. De graaf droeg op deze manier zorg voor de bescherming van zijn eigendommen en bezit.
|
|
De Smeepoort is een van de drie stadspoorten (aan de landzijde) van Harderwijk en lag (en ligt nog) aan de zuidelijke ingang van de stad. Het was vroeger een indrukwekkend bouwwerk dan heeft bestaan uit een binnenpoort en een buitenpoort met ophaalbrug en de poorten waren d.m.v. een muur met elkaar verbonden. De buitenpoort beschikte over twee ronde torens met koepeldaken en de buitenpoort beschikte over een schilddak. In 1672 (het rampjaar) werd Harderwijk bezet door troepen uit Munster en door Franse cavalerie en toen die de stad in 1673 verlieten gaven ze opdracht om de poorten en stadsmuren op te blazen en te vernietigen. Dat was het einde van de trotse Smeepoort die toegang gaf tot de belangrijke Smeepoortstraat en de Smeepoortenbrink. De restanten bleven nog jarenlang liggen en in 1828 werd de toegang te smal voor de steeds groter wordende rijtuigen en koetsen en werd de buitenpoort afgebroken. Men bouwde er wachthuisjes van voor stadswachten die de wacht hielden.
De stormvloed van 1916 leidde uiteindelijk tot de Zuiderzeewet waarmee de wettelijke basis werd gelegd voor de drooglegging en inpoldering van de Zuiderzee. Ing. C. Lely begon met de uitvoering van dit plan en realiseerde het grotendeels. Bij de restauratie van de Smeepoort zijn stenen gebruik van de voormalige Gereformeerde kerk die op de plaats van de SNS bank heeft gestaan. De kerk is in 1935 door brand verwoest. In haar plaats is de markante Plantagekerk verrezen, een ontwerp van de architect P.H. van Lonkhuyzen. Harderwijk beschikt nog over een aantal fraaie stukken stadsmuur die een beeld geven van de omvang van de oude stad en de manier waarop ze werd verdedigd. Dat was nodig om groepen zwervers en bedelaars tegen te houden, maar ook rondtrekkende ridders en soldaten. In de Middeleeuwen loerde het gevaar overal en kon je er maar beter tegen beschermd zijn. Burgers en boeren trokken zich ’s avonds en ’s nachts terug binnen de veilige beschutting van de stadsmuren. De Smeepoort bekijken? Dat kan op Open Monumentendag op 10 september a.s. |
|
Harderwijk was verguld met deze beslissing, want het betekende de economische redding voor de stad waar recent (1811) de Gelderse Academie (door Napoleon zelf) was gesloten. Hoewel het gemeentebestuur in eerste instantie verheugd was over de komst van de militairen werd dat enthousiasme later wat getemperd. Het ministerie van Oorlog en de militaire autoriteiten bleken ‘zelfsturend’ en waren moeilijk te beïnvloeden door het gemeentebestuur. Regelmatig vlogen militairen en gemeentebestuurders elkaar in de haren. Harderwijk gedwongen dure voorzieningen in het leven te roepen zoals een behoorlijke infirmerie (militair hospitaal), magazijnen en voorzieningen voor wachtposten. De middenstand profiteerde echter flink van de komst van de militairen en bakkers, slagers en ambachtslieden zagen hun omzet stijgen. In het kielzog van de militairen kwam ook een ander soort middenstand tot bloei. Kroegbazen, bordeelhouders en prostituees vestigden zich in Harderwijk en brachten het stadje tot leven op een manier die de gemeente niet voorzien had. De geworven militairen ontvingen, voorafgaande aan hun uitzending, een handgeld, dat hen in de zak brandde en dat er om vroeg uitgegeven te worden. De binnenstad veranderde dan ook in een drukke uitgaansgelegenheid waar brave burgers zich nauwelijks nog durfden vertonen. De militairen werden opgenomen in het dagelijkse straatbeeld, overdag met exercities en patrouilles, ’s avonds en ’s nachts in het bruisende uitgaansleven. Het leverde Harderwijk de weinig vleiende bijnaam ‘het gootgat van Europa’ op (veel militairen waren van buitenlandse komaf).
De kroegen en bordelen bleven echter voor overlast zorgen, een reden waarom christelijk actievoerders van de middernachtzendelingen zich in Harderwijk vestigden en zich inzetten voor een bordeelverbod. In 1892 werd dit verbod gerealiseerd waarna de bordelen werden gesloten. De acties zorgden ervoor dat de weerstand van de bevolking tegen het koloniaal werfdepot groeide en burgemeester Kempers, zelf een veteraan uit de Atjeh oorlog, zette zich in voor de legering van een ‘vast garnizoen’ in Harderwijk. In 1909, na 95 jaar, vertrok het koloniaal Werfdepot van Harderwijk naar Nijmegen waarna het 9de Regiment Infanterie haar intrede deed in de vrijgekomen kazerne. Er was een boeiend hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis van Harderwijk. |
|
In 1904 kwam in Utrecht een aantal gewichtige mannen bijeen die als achtergrond de Protestant Christelijke identiteit hadden. Het waren, in woord en daad, volgelingen van Abraham Kuyper. De reden van de bijeenkomst was de nood onder geloofsgenoten die leden aan de ziekte tuberculose. Tegen deze ziekte was geen kruid gewassen en er vielen in die tijd jaarlijks duizenden, veelal jonge, slachtoffers. Tuberculose was een besmettelijke ziekte, veroorzaakt door een bacterie die vooral longschade aanrichtte. De mannen besloten tot de oprichting van de Vereniging voor Christelijk Hulpbetoon aan Tuberculoselijders en al heel snel werden via de Gereformeerde Kerken en de daaraan gerelateerde verenigingen duizenden begunstigers en leden geworven. Het ging zo snel dat al in 1905 grond voor een sanatorium in de bossen bij Harderwijk kon worden aangekocht. Men koos voor Harderwijk omdat de lucht er zo fris en gezond was. Omdat het licht er zo mooi tussen de bomen scheen noemde met het Sonnevanck. Er werd snel begonnen met de bouw van het sanatorium en in 1905 werd het eerste paviljoen, met twee vleugels van 18 bedden elk (18 voor vrouwen en 18 voor mannen) geopend en al snel was dit paviljoen vol.
voeding deed patiënten goed, waardoor er in elk geval (vaak tijdelijk) verbetering in hun toestand optrad. De patiënten kregen bedrust, en er werd streng toegezien op hun voeding. Als snel kwamen er zoveel aanmeldingen dat er met de bouw van een 2e paviljoen werd gestart en in 1910 werd het markante hoofdgebouw geopend. Veel mensen hadden geen geld om de kosten van verblijf en verpleging te kunnen betalen en daarom werd door de vereniging ook het Suppletiefonds opgericht. Dit fonds zamelde geld in om bij te dragen in die kosten en kan in die zin worden gezien als een voorloper van het modernere ziekenfonds. Sonnevanck groeide gestaag. Gedurende 1914–1918 huurde de overheid plaatsen voor zieke militairen en voor Belgen die in de nabijgelegen opvangkampen gehuisvest waren. Veel van hen overleden tijdens het verblijf in het sanatorium, maar een aantal knapte toch goed op en konden na een kuur van een aantal jaren hun leven weer oppakken. In 1921 werd een eigen begraafplaats in het nabijgelegen bos ingericht. Dr. Bergsma werd in 1936 directeur en was één van de markante persoonlijkheden die aan Sonnevanck verbonden was. Hij bleef directeur tot 1964. ‘Immer is hier het geluid van de cementmolen te horen’, schreef hij in een jaarverslag en zo is het bij Sonnevanck altijd gebleven. Sonnevanck had in de jaren zestig zelfs een eigen school en ontwikkelde samen met de vakbond CNV de reactiveringafdeling ‘Nieuwe Wegen’. Er werd enorm veel aan fondsenwerving gedaan. Na 1950 kwamen door de ontwikkeling van antibiotica eindelijk ‘genezende’ medicijnen tegen tuberculose en vanaf de jaren zestig werd ook chirurgie toegepast. Toch was de ziekte tuberculose toen nog lang niet uitgewoed, dat gebeurde pas in de jaren zeventig. In 1973 ging in Sonnevanck de laatste tuberculosepatiënt met ontslag. Sonnevanck was in die tijd al gestart als AWBZ inrichting (verpleeghuis) voor langdurig zieken en was in het hoofdgebouw met het Boerhave Ziekenhuis begonnen. Tegenwoordig maakt Sonnevanck deel uit van de Zorggroep Noordwest Veluwe. Nog steeds is er op het terrein het geluid van de cementmolen te horen. |
| De Vischpoort |
| Harderwijk als garnizoensstad |
| Carolus Linnaeus |
| Hanze en Harderwijk |
| Genealogie van Harderwijk |
| Personen |
| Gebeurtenissen |
| Gebouwen |
| Plaatsen |
| In en om de haven |
| Nieuwe foto |
| Vorige foto |
| 2008 |
| 2009 |
| 2010 |
| 2011 |