Oudheidkundige Vereniging “HERDEREWICH”

Laatste Nieuws. Activiteiten. Vereniging/Vischpoort. Harderwijk. Hierden. Verhalen over .... 2e Wereldoorlog. Onze sponsoren. Bibliotheek en Shop. Vittepraetje. Archief. Lidmaatschap. Links. Contact.

VERHALEN OVER GEBOUWEN


Locatie van het St. Nicolaaskerkhof, Selhorst en de St. Nicolaaskerk

De Vischpoort

De vestingwerken van Harderwijk

De Smeepoort

Het koloniaal werfdepot

Sanatorium Sonnevanck


DE VISCHPOORT

Op 11 juni 1231 verleende Graaf Otto van Gelre II stads- en marktrechten aan ‘Herderewich’. Deze agrarische nederzetting groeide daardoor uit tot een welvarende handelsstad, die eeuwen lid was van het Hanzeverbond. Wanneer de stadsmuren en poorten gebouwd zijn, is niet precies bekend. Uit documenten blijkt dat in ieder geval voor 1294 delen van de muren zijn neergezet. Er is daarna nog jaren verder gebouwd. De Vischpoort is aan het eind van de veertiende eeuw gebouwd.


OGB DesignDe Vischpoort is de enig overgebleven poort in de stadsmuur van Harderwijk. De Hoge-Bruggepoort, de enige andere zeepoort in Harderwijk, ooit gelegen ter hoogte van Monopole, is al eeuwen geleden afgebroken, maar de Lage Bruggepoort werd: “De Vischpoort”. Bij deze poorten lag een lange pier in zee, waaraan platbodems en kleine schepen aanmeerden om vracht te lossen. De grotere zeilschepen gingen een eind uit de kust voor anker omdat het te ondiep was om aan te leggen. Met roeibootjes en platbodems werden de grotere schepen gelost en geladen.


Harderwijk heeft daarom naarstig gezocht naar mogelijkheden om een echte haven aan te leggen. In 1595 heeft het stadsbestuur een commissie benoemd om de havenplannen van burgemeester Hendrik van Essen uit te voeren.


Om onduidelijke redenen lukte dat pas halverwege de zeventiende eeuw. Harderwijk kreeg toen flinke subsidies van diverse instanties om de haven aan te leggen. De vreugde was echter van korte duur. Op 22 oktober 1669 woedde er een zware noordwester storm die weinig overliet van de haven. Het duurde daarna nog tot 1900 voor de Nieuwe Haven werd geopend.


Harderwijk is daardoor nooit tot grote handelsstad is uitgegroeid. We missen dan ook de grandeur van steden als Hoorn, Enkhuizen en Amsterdam waar die beter toegankelijke havens wel beschikbaar waren.


Het onderste gedeelte van de Vischpoort dateert uit de 14de eeuw, het bovenste gedeelte uit de 15de eeuw. In de boog zijn nog de sleuven te ontdekken waarin vroeger vloedplanken werden geplaatst om stormvloed tegen te keren. In 1916 richtte een enorme watervloed nog veel schade aan in de plaatsen rond de Zuiderzee, dus ook in Harderwijk.


De ruimte boven de Vischpoort is ingericht als wachtlokaal voor wachters of soldaten en links en rechts van de poort (aan de landzijde) zijn muurhuisjes gebouwd. Aan de linkerzijde van de poort is een aantal huisjes bewaard gebleven. De laatste restauratie van de Vischpoort dateert uit 1973.


In 1851 werd een torentje met een rood gaslicht op de Vischpoort geplaatst, waarmee de Vischpoort vuurtoren en een baken voor de vissers werd. Het gaslicht was afkomstig van een oude baak uit Scheveningen. Het Rijk droeg de kosten, maar het salaris van de lichtwachter moest door de gemeente Harderwijk worden betaald. In 1928 kwam er bericht van het Loodswezen dat het licht gedoofd zou worden, vanwege de moeilijke financiële situatie in het land. Het licht werd uiteindelijk toch niet gedoofd maar om kosten te besparen droeg het Rijk het eigendom en beheer over aan de gemeente. In 1930 is het gasgloeilicht op de Vischpoort vervangen door een wit elektrisch draailicht, ongeveer één miljoen kaarsen sterk, dat met 22 toeren per minuut ronddraaide.


In 1947 werd het licht overbodig en gedoofd. Op 8 april 2006 is de verlichting weer in gebruik genomen en bij speciale gelegenheden wordt het licht op de Vischpoort ontstoken.

Waar eens een rood, vast licht heeft geschenen, draait nu ’s nachts een witte lichtbundel over de boulevard. Het doet denken aan het draaiende luchtvaartlicht dat maar zo kort dienst heeft gedaan. De verandering van lichtkarakter van rood naar wit heeft overigens in het verleden al plaatsgevonden. Het is niet bekend wanneer dat is gebeurd.

DE VESTINGWERKEN VAN HARDERWIJK

Toen Harderwijk in het jaar 1231 stadsrechten ontving van Graaf Otto de 2de van Gelre kreeg de stad het recht een stadsmuur te bouwen. Met dat recht was de muur er nog niet, want het realiseren van een dergelijk bouwwerk was een langdurig een arbeidsintensief proces. Vermoedelijk zijn de eerste muren wallen van aarde geweest die hier en daar met hout en paalwerk werden verstevigd. Harderwijk werd daardoor een verdedigbare vesting en kon als strategisch steunpunt dienst doen. De graaf droeg op deze manier zorg voor de bescherming van zijn eigendommen en bezit.


In de 14de en 15e eeuw werden de aarden wallen geleidelijk vervangen door een muur van 2½ meter hoogte en om toegang tot de stad te verkrijgen werden er poorten en torens gebouwd.

Aan de zeezijde kwamen twee bruggenpoorten, de Hogebruggepoort en de Lagebruggepoort met het Oude Blokhuis als extra verdedigingswerk.

Dit blokhuis dateert uit 1310. De bruggenpoorten waren, zoals de naam al suggereert, voorzien van een lange brug in zee, waaraan platbodems en roeiboten konden afmeren. Ze fungeerden als aanlegsteiger voor schepen en via deze bruggen werd scheepslading aan en afgevoerd.

De Hogebruggepoort lag ter hoogte van de Bruggestraat, de Lagebruggepoort ter hoogte van de huidige Vischpoort. Beide poorten zijn voorzien van groeven waarin vloedplanken konden worden geplaatst. Hiermee kon men zich weren tegen overstroming en/of stormvloed.


De landzijde van de muur werd in de 15de eeuw gebouwd en ook hierin werden poorten gebouwd die toegang tot de stad verschaften. De Smeepoort, de Grote Poort en de Luttekepoort zijn poorten die nog voortleven in de huidige straatnamen. Alleen van de Smeepoort resteren nog enkele resten. Van de Luttekepoort zijn nog muurresten te traceren. Regelmatig werden de muren versterkt en verhoogd, waarschijnlijk omdat het geschut steeds krachtiger werd, mogelijk omdat men zich bewuster werd van het altijd dreigende gevaar. Tot 1500 was het relatief rustig in de vesting Harderwijk en hadden handel en scheepvaart een positief effect op de groei en welvaart.


Harderwijk groeide voorspoedig en men was zich niet bewust van de naderende rampen.

De stadsbrand in 1503 was de eerste, gevolgd door een pestepidemie een tiental jaren later.

Ook raakte Harderwijk betrokken bij de strijd tussen Karel V en de hertog van Gelre, waardoor de stad, dan weer door de ene, dan weer door de andere machthebber werd ingenomen.

Rond 1530 werden de Hogebruggepoort en de Lagebruggepoort opgetrokken en verstevigd en werd het nieuwe Blokhuis gebouwd.

Aan de landzijde van de stad werd bos weggekapt om een vrij schootsveld te maken en in de muur werden rondelen en wachtgebouwen gemaakt. In 1673 werden een aantal poorten, na een bezetting door soldaten van de Franse Koning Lodewijk, opgeblazen en afgebroken.


Omdat er geen toegankelijke haven was en de kust van de Zuiderzee aan de oostelijke kant verzandde werd de stad Harderwijk moeilijk bereikbaar voor schepen en verplaatste de handel zich naar het westen. Hoorn, Enkhuizen en vooral ook Amsterdam profiteerden van de welvaart en veel kooplieden trokken die kant op. Harderwijk verzandde zowel letterlijk als figuurlijk. Pas de aanleg van de haven in 1899 maakte de stad weer enigszins bereikbaar voor grotere schepen.

DE SMEEPOORT

De Smeepoort is een van de drie stadspoorten (aan de landzijde) van Harderwijk en lag (en ligt nog) aan de zuidelijke ingang van de stad. Het was vroeger een indrukwekkend bouwwerk dan heeft bestaan uit een binnenpoort en een buitenpoort met ophaalbrug en de poorten waren d.m.v. een muur met elkaar verbonden. De buitenpoort beschikte over twee ronde torens met koepeldaken en de buitenpoort beschikte over een schilddak.


In 1672 (het rampjaar) werd Harderwijk bezet door troepen uit Munster en door Franse cavalerie en toen die de stad in 1673 verlieten gaven ze opdracht om de poorten en stadsmuren op te blazen en te vernietigen. Dat was het einde van de trotse Smeepoort die toegang gaf tot de belangrijke Smeepoortstraat en de Smeepoortenbrink. De restanten bleven nog jarenlang liggen en in 1828 werd de toegang te smal voor de steeds groter wordende rijtuigen en koetsen en werd de buitenpoort afgebroken. Men bouwde er wachthuisjes van voor stadswachten die de wacht hielden.


OGB DesignDe resten van de Smeepoort zijn nu fraai gerestaureerd en maken deel uit van de gerestaureerde stadsmuur en vestingwerken van Harderwijk. Ook het wachtlokaal aan de bovenzijde van de poort is weer te betreden. In vroeger tijden was deze ruimte voor de wachters die de poort bedienden en die de stad tegen aanvallen van buitenaf moest beschermen. In het voetgangerspoortje zijn jaartallen gemetseld met de jaartallen 1570, 1825 en 1916 en de stenen met deze jaartallen geven de hoogte van het water aan tijdens de diverse stormvloeden. In deze jaren was er namelijk steeds sprake van enorme overstromingen. Door stormvloed steeg het water van de Zuiderzee tot grote hoogte waarna het water de stad inliep. Telkens richtte zo’n stormvloed grote schade en veel vernielingen aan.


De stormvloed van 1916 leidde uiteindelijk tot de Zuiderzeewet waarmee de wettelijke basis werd gelegd voor de drooglegging en inpoldering van de Zuiderzee. Ing. C. Lely begon met de uitvoering van dit plan en realiseerde het grotendeels.


Bij de restauratie van de Smeepoort zijn stenen gebruik van de voormalige Gereformeerde kerk die op de plaats van de SNS bank heeft gestaan. De kerk is in 1935 door brand verwoest. In haar plaats is de markante Plantagekerk verrezen, een ontwerp van de architect P.H. van Lonkhuyzen.


Harderwijk beschikt nog over een aantal fraaie stukken stadsmuur die een beeld geven van de omvang van de oude stad en de manier waarop ze werd verdedigd. Dat was nodig om groepen zwervers en bedelaars tegen te houden, maar ook rondtrekkende ridders en soldaten.

In de Middeleeuwen loerde het gevaar overal en kon je er maar beter tegen beschermd zijn.

Burgers en boeren trokken zich ’s avonds en ’s nachts terug binnen de veilige beschutting van de stadsmuren.


De Smeepoort bekijken? Dat kan op Open Monumentendag op 10 september a.s.
Dan zijn deze en vele andere monumenten in Harderwijk geopend voor publiek.

HET KOLONIAAL WERFDEPOT

OGB DesignEind 1814 vereerde Kapitein Cochius van het Ministerie van Oorlog Harderwijk met een bezoek. Zijn opdracht was het gebouw van de voormalige Gelderse Munt aan de Smeepoortstraat te inspecteren op geschiktheid voor gebruik. In Den Haag bestond het voornemen om het koloniale werfdepot, als verzamelplaats voor soldaten die naar Indië gingen, in Harderwijk te vestigen en hiervoor zocht men een geschikt onderkomen. Kapitein Cochius was snel klaar met zijn bezoek hij gaf een gunstig oordeel. Met enige aanpassingen was De Gelderse Munt best geschikt te maken voor de huisvesting van zo’n 800 militairen en aldus werd besloten.


Harderwijk was verguld met deze beslissing, want het betekende de economische redding voor de stad waar recent (1811) de Gelderse Academie (door Napoleon zelf) was gesloten. Hoewel het gemeentebestuur in eerste instantie verheugd was over de komst van de militairen werd dat enthousiasme later wat getemperd. Het ministerie van Oorlog en de militaire autoriteiten bleken ‘zelfsturend’ en waren moeilijk te beïnvloeden door het gemeentebestuur. Regelmatig vlogen militairen en gemeentebestuurders elkaar in de haren. Harderwijk gedwongen dure voorzieningen in het leven te roepen zoals een behoorlijke infirmerie (militair hospitaal), magazijnen en voorzieningen voor wachtposten. De middenstand profiteerde echter flink van de komst van de militairen en bakkers, slagers en ambachtslieden zagen hun omzet stijgen. In het kielzog van de militairen kwam ook een ander soort middenstand tot bloei. Kroegbazen, bordeelhouders en prostituees vestigden zich in Harderwijk en brachten het stadje tot leven op een manier die de gemeente niet voorzien had. De geworven militairen ontvingen, voorafgaande aan hun uitzending, een handgeld, dat hen in de zak brandde en dat er om vroeg uitgegeven te worden. De binnenstad veranderde dan ook in een drukke uitgaansgelegenheid waar brave burgers zich nauwelijks nog durfden vertonen. De militairen werden opgenomen in het dagelijkse straatbeeld, overdag met exercities en patrouilles, ’s avonds en ’s nachts in het bruisende uitgaansleven. Het leverde Harderwijk de weinig vleiende bijnaam ‘het gootgat van Europa’ op (veel militairen waren van buitenlandse komaf).


OGB DesignDe aanwezigheid van het werfdepot legde Harderwijk uiteindelijk geen windeieren, want de permanente aanwezigheid van honderden militairen leverde de stad veel inkomsten. Ook transport en vervoermogelijkheden namen toe waardoor Harderwijk beter bereikbaar werd en bleef.

De kroegen en bordelen bleven echter voor overlast zorgen, een reden waarom christelijk actievoerders van de middernachtzendelingen zich in Harderwijk vestigden en zich inzetten voor een bordeelverbod. In 1892 werd dit verbod gerealiseerd waarna de bordelen werden gesloten. De acties zorgden ervoor dat de weerstand van de bevolking tegen het koloniaal werfdepot groeide en burgemeester Kempers, zelf een veteraan uit de Atjeh oorlog, zette zich in voor de legering van een ‘vast garnizoen’ in Harderwijk. In 1909, na 95 jaar, vertrok het koloniaal Werfdepot van Harderwijk naar Nijmegen waarna het 9de Regiment Infanterie haar intrede deed in de vrijgekomen kazerne. Er was een boeiend hoofdstuk toegevoegd aan de geschiedenis van Harderwijk.

SANATORIUM SONNEVANCK

In 1904 kwam in Utrecht een aantal gewichtige mannen bijeen die als achtergrond de Protestant Christelijke identiteit hadden. Het waren, in woord en daad, volgelingen van Abraham Kuyper.

De reden van de bijeenkomst was de nood onder geloofsgenoten die leden aan de ziekte tuberculose. Tegen deze ziekte was geen kruid gewassen en er vielen in die tijd jaarlijks duizenden, veelal jonge, slachtoffers. Tuberculose was een besmettelijke ziekte, veroorzaakt door een bacterie die vooral longschade aanrichtte.


De mannen besloten tot de oprichting van de Vereniging voor Christelijk Hulpbetoon

aan Tuberculoselijders en al heel snel werden via de Gereformeerde Kerken en de daaraan gerelateerde verenigingen duizenden begunstigers en leden geworven. Het ging zo snel dat al in 1905 grond voor een sanatorium in de bossen bij Harderwijk kon worden aangekocht.

Men koos voor Harderwijk omdat de lucht er zo fris en gezond was. Omdat het licht er zo mooi tussen de bomen scheen noemde met het Sonnevanck. Er werd snel begonnen met de bouw van het sanatorium en in 1905 werd het eerste paviljoen, met twee vleugels van 18 bedden elk (18 voor vrouwen en 18 voor mannen) geopend en al snel was dit paviljoen vol.


OGB DesignEen echte, afdoende therapie was er in die tijd niet, maar rust, regelmaat en goede

voeding deed patiënten goed, waardoor er in elk geval (vaak tijdelijk) verbetering in hun toestand optrad. De patiënten kregen bedrust, en er werd streng toegezien op hun voeding.

Als snel kwamen er zoveel aanmeldingen dat er met de bouw van een 2e paviljoen werd gestart en in 1910 werd het markante hoofdgebouw geopend.

Veel mensen hadden geen geld om de kosten van verblijf en verpleging te kunnen betalen en daarom werd door de vereniging ook het Suppletiefonds opgericht. Dit fonds zamelde geld in om bij te dragen in die kosten en kan in die zin worden gezien als een voorloper van het modernere ziekenfonds.


Sonnevanck groeide gestaag. Gedurende 1914–1918 huurde de overheid plaatsen voor zieke militairen en voor Belgen die in de nabijgelegen opvangkampen gehuisvest waren. Veel van hen overleden tijdens het verblijf in het sanatorium, maar een aantal knapte toch goed op en konden na een kuur van een aantal jaren hun leven weer oppakken. In 1921 werd een eigen begraafplaats in het nabijgelegen bos ingericht. Dr. Bergsma werd in 1936 directeur en was één van de markante persoonlijkheden die aan Sonnevanck verbonden was. Hij bleef directeur tot 1964. ‘Immer is hier het geluid van de cementmolen te horen’, schreef hij in een jaarverslag en zo is het bij Sonnevanck altijd gebleven. Sonnevanck had in de jaren zestig zelfs een eigen school en ontwikkelde samen met de vakbond CNV de reactiveringafdeling ‘Nieuwe Wegen’.

Er werd enorm veel aan fondsenwerving gedaan.


Na 1950 kwamen door de ontwikkeling van antibiotica eindelijk ‘genezende’ medicijnen tegen tuberculose en vanaf de jaren zestig werd ook chirurgie toegepast. Toch was de ziekte tuberculose toen nog lang niet uitgewoed, dat gebeurde pas in de jaren zeventig. In 1973 ging in Sonnevanck de laatste tuberculosepatiënt met ontslag. Sonnevanck was in die tijd al gestart als AWBZ inrichting (verpleeghuis) voor langdurig zieken en was in het hoofdgebouw met het Boerhave Ziekenhuis begonnen. Tegenwoordig maakt Sonnevanck deel uit van de Zorggroep Noordwest Veluwe. Nog steeds is er op het terrein het geluid van de cementmolen te horen.