Oudheidkundige Vereniging “HERDEREWICH”

Laatste Nieuws. Activiteiten. Vereniging/Vischpoort. Harderwijk. Hierden. Verhalen over .... 2e Wereldoorlog. Onze sponsoren. Bibliotheek en Shop. Vittepraetje. Archief. Lidmaatschap. Links. Contact.

VERHALEN OVER GEBEURTENISSEN


Indische Nederlanders in Harderwijk

Niets was zo dodelijk als de Spaanse Griep

Harderwijk in de 19de eeuw

Belgische vluchtelingen in Harderwijk

De Kogge

1672, een rampjaar voor Harderwijk

Garnalen pellen, een mooie bijverdienste

1503, de grote stadsbrand in Harderwijk

Het ontstaan van Harderwijk


INDISCHE NEDERLANDERS IN HARDERWIJK

Het Koninkrijk der Nederlanden van voor de Tweede Wereldoorlog was heel wat groter dan nu. Naast koloniën in ‘West’ Indië, als Suriname en de eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao en Saba,

St. Eustachius en St. Maarten behoorde ook Nederlands-Indië tot het koninkrijk der Nederlanden, een enorm eilandenrijk in de Grote Oceaan. Nederlands-Indië bestond uit de gebieden Sumatra, Borneo en Java en tientallen kleinere eilanden met een bevolking die vele malen die van Nederland zelf telde. Daarnaast behoorde Nieuw-Guinea tot het koninkrijk, een eiland met ongeveer 20x de omvang van Nederland.


Door de Tweede Wereldoorlog veranderden de verhoudingen in de wereld en dat werd het einde van het kolonialisme. Voor de nazaten van Nederlanders in Nederlands-Indië betekende dat een onzekere periode. Toen na de bevrijding van de Japanse overheersers de Indonesische nationalisten de macht grepen was dat voor deze groep geen bevrijding, maar een nieuwe angstige en spannende periode. Nederland wilde Nederlands-Indië behouden en vocht van 1945 tot 1949 met de opstandelingen in een wrede oorlog. Onder druk van de Verenigde Staten en de Verenigde Naties moest het Nederlands-Indië prijsgeven aan de nieuwe machthebbers die het omvormden tot de Republiek Indonesië. Voor de meeste Indische Nederlanders betekende dit het einde van hun bestaan in de ‘gordel van smaragd’. Ze vertrokken met de boot naar Nederland.


Vanaf 1946 tot ongeveer 1964 arriveerden duizenden gezinnen uit Nederlands-Indië in Rotterdam en Amsterdam. De mensen uit Nederlands-Indië, al snel Indo’s genoemd, waren gedwongen om alles achter zich te laten en moesten in Nederland helemaal opnieuw beginnen. Het Nederland in 1950 was echter niet zo gastvrij. De eerste vluchtelingen werden nog met open armen ontvangen, maar toen het er steeds meer werden bekoelde dit enthousiasme al snel.

Er was woningnood, dus moesten de repatrianten zich vaak lang behelpen op kamers en in pensions. De Nederlandse overheid gaf de mensen voorschotten maar ze moesten wel alles terug betalen.


De meeste Indische Nederlanders vonden snel werk. Ze hadden een mentaliteit om ‘aan te pakken’ spraken meestal goed Nederlands en wisten zich toch al snel te redden in het Hollandse maatschappelijke verkeer. Bovendien, dat was een gelukkige omstandigheid, kwam er een periode van sterke economische groei, waardoor de Indische Nederlanders snel aan het werk kwamen.

Er ontstond zelfs een positieve Indische cultuur in Nederland, Indisch eten werd erg ponds, de Tielman Brothers en Anneke Grönloh scoorden diverse hits. Ook de Pasar (de Indische markt) en de Toko (winkel) deden hun intrede.


In Harderwijk werden veel Indische mensen gehuisvest in de Wittehagen en in de Tinnegieter, een van de eerste naoorlogse nieuwbouwwijken in Harderwijk. Veel mannen werkten als militair in een van de kazernes, vrouwen en kinderen gingen aan het werk in een van de fabrieken of industrieën in Harderwijk. De eerste generatie Indische Nederlanders is inmiddels op hoge leeftijd en hun kinderen zijn uitgevlogen, soms in Harderwijk, vaak ook daarbuiten. Het is goed om erbij stil te staan dat dit feitelijk de eerste groep naoorlogse vluchtelingen was die naar Nederland kwam en te kijken naar het positieve effect van hun komst. De samenleving is en een beetje meer kleurrijk en rijker van geworden. (Kijk op www.IndischeHarderwijkers.nl)

NIETS WAS ZO DODELIJK ALS DE SPAANSE GRIEP

Toen de Spaanse Koning Alphonso XIII in mei 1918 door griep werd geveld leek er nog maar weinig aan de hand, maar verontrustend was dat bijna 1/3 van de Spanjaarden eveneens ziek werd. ‘Niks om u ongerust over te maken’, luidde het officiële commentaar, want het is maar griep en gaat vanzelf weer over. Dat bleek ook zo te zijn. De griep was weliswaar heftig maar de meeste patiënten genazen na enkel dagen en knapten weer goed op. De griepepidemie teisterde heel Europa en trok een ziekmakend spoor over het werelddeel, dat toch al, door de Eerste Wereldoorlog, zwaar getroffen was. De grootste ramp voltrok zich echter enkele maanden later. Toen de eerste griepgolf was uitgewoed ontstond er een tweede griepgolf die dodelijk werd en duizenden mensen overleden toen aan deze verwoestende ziekte. Alleen Nederland telde al 30.000 dodelijke slachtoffers, wereldwijd werd het aantal slachtoffers geschat tussen de 20 en 40 miljoen. Hele steden en dorpen werden gedecimeerd, het effect was nauwelijks te bevatten.


OGB DesignOndanks de wereldwijde ramp reageerden overheden erg laks op de griep. Wellicht omdat men zo opgelucht was over het einde van de Eerste Wereldoorlog dat men een nieuwe ramp niet meer aankon. Europa lag grotendeels in puin en koningshuizen en overheden maakten een trieste balans op van vier jaar strijd. Er waren geen overwinnaars, slechts verliezers. Het virus dat de Spaanse Groep veroorzaakte was waarschijnlijk ontstaan in varkens en door Amerikaanse militairen naar Europa gebracht.

Het was een influenza A virus dat voorkomt bij watervogels, die met hun ontlasting zoogdieren kunnen besmetten. Een dergelijk virus kan overslaan op mensen en daar een ernstige epidemie veroorzaken en dat gebeurde in de vorige eeuw vier keer. In 1918 had men deze kennis overigens nog niet, want pas in 1933 werd het virus geïsoleerd en ontdekt. Door de uitzonderlijke omstandigheden in de Eerste Wereldoorlog kreeg het virus alle kans om zich te verspreiden. De militairen leefden dicht op elkaar en konden elkaar snel besmetten. Bovendien trokken troepen soldaten door Europa en konden zo het virus gemakkelijk verspreiden. Door de oorlog was de voedingssituatie en hygiëne van veel mensen slecht en waren ze vatbaar voor ziekte. En, er waren geen mogelijkheden om mensen in te enten. Kortom, ideale omstandigheden voor een ziekteverwekker, die dan ook genadeloos om zich heen sloeg.


Typerend was dat vooral jonge mensen het slachtoffer werden van deze ziekte, die in Nederland vooral in de grote steden en Drenthe om zich heen greep. De bewoners van de Veenkoloniën waren verzwakt en weinig weerbaar en stierven bij bosjes. Een bijkomend probleem was dat artsen, die de patiënten moesten behandelen vaak ook ziek waren en daardoor hun werk niet konden doen, overigens konden ze überhaupt niet veel doen. Natuurlijk waren er slimme zakenmensen die hun kans schoon zagen om malafide smeersels en mengsels aan de man te brengen, die de ziekte zouden kunnen genezen. Veel goedgelovige mensen trapten in hun verkooppraatjes en schaften helend water en geneeskrachtige kruiden aan, alles om maar niet ziek te worden. In veel gezinnen vielen slachtoffers te betreuren maar eind 1918 kwam er langzamerhand een einde aan de ziekte. Harderwijk kende in 1918 ongeveer 171 dodelijk getroffen slachtoffers en een veelvoud werd ziek maar genas uiteindelijk vanzelf. De doden werden begraven en veel tijd om te rouwen hadden de meeste mensen niet. Het leven ging door en de strijd om het bestaan was moeizaam en hard.

HARDERWIJK IN DE 19DE EEUW

Harderwijk, nu een leuk stadje, heeft niet altijd een even goede naam gehad. Willem Boxma beschrijft in een artikel over het vervoer tussen Amersfoort en Zwolle in de 19de eeuw en doet daarbij een levendige beschrijving van Harderwijk. Wees gewaarschuwd!


‘Men gevoelt als ‘t ware een rilling door de leden varen, wanneer men maar den naam

Harderwijk hoort noemen; hoe dikwijls toch gebeurt het niet, dat men zich schaamt die

naam uit te spreken; hoe velen denken ook nu nog, dat men op zijn hoede moet zijn en

voorzorgsmaatregelen moet treffen, als men het stadje bezoekt.


OGB DesignJa, nog slechts een paar jaar geleden werd door een ontwikkeld man in één onzer hoofdsteden aan iemand, die zich daadwerkelijk in Harderwijk ging vestigen, in alle ernst gevraagd: ‘Gij hebt u dan toch wel van pistool of revolver voorzien?’ Woorden van eerste luitenant-adjudant J. Kruisinga, zelf gelegerd in ‘het stadje aan Centraalspoor en Zuiderzee’ gelegen, daterend van het jaar 1889. Een vijftiental jaren eerder had Henry Havard Harderwijk met een bezoek vereerd en hij werd getroffen door de ‘buitengemene levendigheid door de kazernering van de troepen die voor het Indische leger bestemd zijn.’ ‘Ongeveer bij elke stap die men doet’, vertelt hij zijn landgenoten, ‘ziet men het woord tapperij of slijterij met zeer grote letters op de lijst boven de deur der winkels staan en de huizen welke ogenschijnlijk het meest stemmige voorkomen bezitten, vertonen achter hun ruiten allerlei aanlokkelijke etiketten, waarop brandewijn, jenever, gedistilleerd en sterke drank een eerste plaats innemen; zonder twijfel zullen deze hun verleidelijke invloed dan ook wel het meest doen gelden.


Iets verder weer vindt men zonderling geschilderde huizen, die niet alleen door een voortdurend schatergelach dat er zich laat vernemen, maar ook door het gedruis van een afschuwelijk orkest, ‘t welk onophoudelijk een vreselijk verminkte wals ten gehore brengt, het bewijs leveren dat hier de door Mohammed veroorloofde genoegens, naast die welke door de profeet verboden zijn, rijkelijk genoten worden.’


De jaren tussen 1814 en 1909 zou men het ‘koloniale tijdperk van Harderwijk’ kunnen noemen. Bijna dagelijks, en niet zelden van heel ver, arriveerden hier jonge mannen om zich te melden bij het Koloniaal Werfdepot, dat soldaten opleidde voor de elkaar haast met regelmaat opvolgende militaire acties in Nederlands-Indië. Hoewel doorgaans ongeveer tweederde van deze troepenmacht uit Nederlanders bestond, mocht toch van een ‘vreemdelingenlegioen’ worden gesproken. De rest kwam zo goed als uit elk ander land, Amerikanen en Afrikanen kwamen op de lijsten van miliciens voor. Dit geüniformeerde samengeraapt volkje, altijd aanwezig in de straten en stegen en luidruchtig het soldij verterend in de kroegen en bordelen van Harderwijk, kon moeilijk tot toeristen worden gerekend, wel droeg dit vreemdelingenverkeer bij aan de welvaart

van de stad.


Omdat ‘in de Oost’ elke soldaat er één was, bekommerde de legerleiding zich niet om eisen, die eigenlijk aan de legionairs gesteld zouden moeten worden. Dat leidde tot een toeloop naar het werfdepot, gedreven door de meest uiteenlopende redenen: armoede, schulden, faillissement, liefdesverdriet, ontlopen van gevangenisstraf en vooral zucht naar avontuur. In 1828 bleek dat er zelfs een roverhoofdman uit Hamburg, vergezeld van één zijner bendegenoten, in de compagnie mee marcheerde. Het gehalte van de ‘kolonialen’ werd er in de loop van de jaren dan ook niet beter op. Harderwijk verwierf de twijfelachtige bekendheid ‘het riool van Europa’ te zijn.


Deels kwamen de rekruten zich vrijwillig melden, voor het andere deel waren ze eenvoudig geronseld. De Duitse rooms-katholieke onderwijzer T.R.L. Oehmke heeft beschreven hoe de ronselarij al tijdens zijn treinreis naar Harderwijk werd bedreven. Van Amersfoort af had hij alleen in een coupé gezeten, tot in Putten een man bij hem instapte. Die had spoedig begrepen dat Oehmke een Duitser was en knoopte in goed verstaanbaar Duits een gesprek met hem aan. Toen Oehmke zich liet ontvallen dat hij een dagje in Harderwijk wilde verpozen, haalde de coupégenoot een adreskaartje van zichzelf en een van een logementhouder voor de dag, gevolgd door een prospectus in het Duits van het Koloniaal Werfdepot. Toen begreep Oehmke dat hij met een ‘boerenvanger’, een ronselaar, te doen had. Dienstneming was toch al het doel van Oehmke’s reis naar Harderwijk, zodat niets in de weg stond om op de aanbevelingen van zijn kortstondige reisgenoot in te gaan.


Het vertrek van een contingent kolonialen naar de Oost – aanvankelijk scheepten ze zich in Harderwijk in, later in Amsterdam en Rotterdam - betekende voor de bevolking steeds een belevenis die zij niet graag wilde missen. Marsmuziek van de Werfdepôt-harmonie begeleidde het detachement naar het station.‘Dan stapten de mannen de trein in en onderwijl begon de muziek langzaam en plechtig het ‘Wien Neerlands bloed’ te spelen, wat me altijd erg triestig aandeed’, heeft W.J. van Polen ons laten weten. Als jongen maakte hij meermalen het afscheid van de stad mee. ‘Zwaaiende helmhoeden uit de coupéramen, jonge snuiten voor de vensters, hoera geroep en als de trein al haast bij de bocht was, was het volkslied uit, als of ’t er voor gemaakt was’.

BELGISCHE VLUCHTELINGEN IN HARDERWIJK

Bij het begin van de 1ste Wereldoorlog, in 1914, had Harderwijk nog maar 7.500 inwoners.

Het was een slaperig stadje aan de Zuiderzee. De ontbrandende wereldoorlog maakte daar een einde aan, maar Nederland bleef neutraal en mengde zich niet in de strijd. Onze zuiderburen, de Belgen, waren niet zo gelukkig. Een Duitse overmacht maaide de Belgische strijdkrachten van de kaart en richtte een verschrikkelijke slachting aan onder de Belgen. Na de belegering en bezetting van Antwerpen namen duizenden Belgen de vlucht naar ons land waar ze een veilig heenkomen zochten. Niet alleen de militairen kwamen naar ons land, maar als het even kon namen ze hun vrouw en kinderen mee.


Nederland zag zich genoodzaakt opvang te regelen voor de duizenden vluchtelingen en die kwam er o.a. in Harderwijk. Ter hoogte van het huidige Bouw- en Infra Park verrees een tentenkamp waar duizenden soldaten en onderofficieren werden geïnterneerd, opgesloten dus. Toen het er naar uitzag dat het langer dan een paar maanden ging duren werden de tenten vervangen door barakken en verrees er een complete stad. Vrouwen en kinderen werden gehuisvest in twee nabijgelegen kampen, Leopoldsdorp (locatie Dennenlaan/Randweg) en Heidekamp (Mecklenburglaan/Julianalaan). Veel officieren werden ingekwartierd bij particulieren, die genoten de normale vrijheid. Prijzen van kamers en onroerend goed stegen dan ook explosief. Voor de Harderwijkers waren de Belgen welkome consumenten die in een moeilijke tijd kwamen opdagen. Die moesten gehuisvest, gevoed en gekleed worden en de handel profiteerde daar flink van mee. Voor de middenstand was het een uitkomst in een moeilijke tijd, want door de oorlog lag het internationale handelsverkeer plat. Harderwijk moet in die jaren een bijna buitenlandse indruk hebben gemaakt want in totaal werden er wel 15.000 Belgen in en rond Harderwijk gehuisvest.


OGB DesignIn hun kampen werden de Belgen heel zelfredzaam; er kwamen kerken, ziekenzalen, kappers, bakkers en drukkerijen en er werden zelfs sportzalen en wielerbanen gebouwd. Toch was het voor de Belgen geen vrolijke tijd. Ze leefden tussen hoop en vrees en waren in afwachting van het verloop van de strijd. Terwijl ze in ballingschap en gevangenschap verbleven veranderden België en Noord-Frankrijk in een enorm slagveld. De loopgravenoorlog met een overvloed aan beschietingen vaagde hele steden en dorpen van de landkaart en eiste duizenden slachtoffers. Veel Belgen werden slachtoffer van ziektes als de Spaanse Griep (1917/1918) en tuberculose. Sonnevanck richtte zelfs een speciaal paviljoen voor de Belgen in, maar toch maakte de tuberculose veel slachtoffers.


De doden werden in Harderwijk begraven en voor hen werd in 1963 op begraafplaats Oostergaarde het Belgisch Militair ereveld ingericht. Hier liggen bijna alle Belgische militairen die in die periode zijn overleden en die niet gerepatrieerd zijn, er zijn 349 namen vermeld. Toen de oorlog in 1918 tot een einde kwam vertrokken de Belgen weer naar huis. Ze troffen een totaal verwoest land aan dat vanaf de grond moest worden opgebouwd. Ironisch genoeg kwam er op dat moment een andere vluchteling ons land binnen, de Duitse Keizer Wilhelm de 2de, de voornaamste aanstichter van de oorlog. Hoewel men niet echt op hem zat te wachten kreeg hij toestemming om te blijven en vond hij een onderkomen op een landgoed in Doorn.

DE KOGGE

Harderwijk heeft een Hanzeverleden en het is aardig om eens te bekijken hoe deze handel in de vroege middeleeuwen zijn vorm heeft gekregen. Hanzesteden zijn meestal kustplaatsen en de onderlinge handel vond vaak plaats d.m.v. Koggen, een klein scheepstype dat qua uiterlijk doet denken aan de schepen van de Noormannen.


OGB DesignHet waren eenvoudige, van hout gebouwde schepen met één stevenroer en één groot zeil dat overdwars op het middenschip stond geplaatst. Een ander kenmerk van de Kogge was de platte bodem waardoor op relatief ondiep water kon worden gevaren. De lengte van de Koggen was verschillend maar bedroeg over het algemeen tussen tien en dertig meter. In de kogge was een flink laadruim waardoor het tonnage tot boven de 150 ton kon oplopen. Naast het vrachtruim en de mast was er plaats voor bemanning (kasteel) en roerganger, die de scheepjes op onwaarschijnlijk lange reizen langs de verre kusten voerden.



De Kogge was het scheepstype van de vroege middeleeuwen en in veel stadszegels komt de vorm van de kogge dan terug. In de voormalige Zuiderzee zijn na de inpoldering diverse scheepswrakken gevonden, o.a. in 1981 ten noorden van Nijkerk die restanten van koggen bleken te zijn. Vaak zijn deze resten bijna geheel vergaan maar scheepsarcheologen konden ze terug reconstrueren zodat een goed beeld ontstond over bouw en afmetingen.

In Kampen, eveneens een voormalige Hanzestad, ging men zover dat in 1995 een Kogge is nagebouwd waarvan het proces op excellente wijze is vastgelegd door de tekenaar Frederik J. Weijs in zijn boek ‘Scheepvaart’. De bouw van een Kogge vroeg een arbeidsintensieve en duurzame procedure en was van het grootste belang voor de veiligheid van bemanning en lading die regelmatig aan de elementen blootstond. In de loop van de tijd werden de schepen groter en ontwikkelden zich ook andere scheepstypen uit de Kogge.


Ladingen van de blootgelegde Koggen zijn nauwelijks teruggevonden, uitzonderingen zijn ladingen met stenen en keien, maar scheepsladingen als haring, huiden, vachten en middeleeuws lakenwerk hebben de tand des tijd niet doorstaan.


De Kogge vormt nog steeds een beeldmerk van veel Hanzesteden en heeft aan de basis gelegen van veel internationale handel. Waar wegen en paden in die tijd nog moeilijk begaanbaar en gevaarlijk waren was de Kogge een uitdaging voor handelaren en zeelieden. Vakmanschap en zeemanschap vormden de basis voor haar succes ook al is menige Kogge op haar reis gezonken en zullen daarbij kostbare ladingen en mensenlevens te betreuren zijn geweest. Ook Harderwijk voert de Kogge in haar beeldmerk en de Kogge zal ongetwijfeld de wateren rond Harderwijk hebben aangedaan om ladingen te lossen en te laden. De Kogge is voor de zee wat het paard en wagen voor de weg is; de voorloper van alle professionele vervoersmogelijkheden waarover we tegenwoordig zo vanzelfsprekend beschikken.

1672, EEN RAMPJAAR VOOR HARDERWIJK

Bij ‘de bezetting’ denken we meestal aan de periode 40-45 die nog recent in het collectieve geheugen aanwezig is. De meeste mensen weten niet dat Harderwijk in het verleden ook door de Fransen bezet is, een bezetting die ons stadje ‘aan de rand van de afgrond’ bracht. Het is dan ook al even geleden, om precies te zijn in het jaar 1672, het rampjaar van de Republiek der Zevende Verenigde Nederlanden. De Nederlanden verkeerden in dat jaar in oorlog met Engeland en Frankrijk en de Bisdommen van Keulen en Munster, een overmacht waar de republiek niet tegen opgewassen was. De Franse koning Lodewijk XIV (14) trok met een leger bij Lobith het land binnen en splitste zijn leger om een zo groot mogelijk gebied te bezetten. Omdat de verdediging zich concentreerde op Holland en Amsterdam bleven steden als Elburg en Harderwijk nagenoeg onbeschermd achter.


Veel welgestelde inwoners van Harderwijk namen de vlucht naar Amsterdam en de stadsbestuurders knoopten ondertussen onderhandelingen aan, om een langdurige strijd en belegering te voorkomen. Ze sloten een verdrag met de belegeraar uit Munster volgens welke de stad Harderwijk haar rechten zou behouden. De bevelvoerder, de bisschop van Munster ‘Berend van Galen’ (Bommen Berend) had echter met de Franse Lodewijk afgesproken dat Hattem, Elburg en Harderwijk voor de Fransen waren en de Franse commandant Durban du Forte trok zich niets aan van de Harderwijkse rechten. De Fransen gedroegen zich als overwinnaars, hard en onbuigzaam. Ruim 1.500 Franse militairen werden in Harderwijk ingekwartierd. Voor Harderwijk, een stadje met een paar duizend inwoners, was het een zware beproeving. De Fransen vonden dat de kosten voor de bezetting wel door de Harderwijkse burgers gedragen konden worden maar gedroegen zich bepaald niet als gast. Als ze na een periode van inkwartiering afscheid namen van hun huisadres, deden ze dat door met hun paard door huis te rijden. Daarbij sneuvelde het spaarzame meubilair en interieur vaak volledig. De Harderwijker burgers kregen daarnaast forse boetes en contributies opgelegd om de vestingwerken te verstevigen. Zowel boeren als burgers moesten bijdragen en meewerken om de stadswallen te verstreken en de beplanting buiten de muren te rooien zodat men een vrij schootsveld kreeg.


OGB DesignVoor de Harderwijkse bevolking leidde de aanwezigheid van zoveel militairen tot grote overlast. Toen in de loop van 1673 bleek dat Holland en Amsterdam moeilijk waren in te nemen werd de druk op Harderwijk opgevoerd. Nu werden poorten en muren gesloopt ten gunste van de verdediging van Elburg en werden de Luttekepoort, Smeepoort en het oude Blokhuis opgeblazen. De prins van Holland, Willem de 3de wist ondertussen Naarden te bevrijden en de Fransen besloten Harderwijk tenslotte op te geven. Op 16 september, net voor de terugtocht, staken ze de stad op 40 plaatsen in brand. Gelukkig stond er weinig wind waardoor niet de gehele stad afbrandde, maar slechts een vijftigtal huizen. Hoewel de meeste militairen vertrokken bleven Franse en Munsterse troepen de bevolking terroriseren. Dat duurde tot eind 1673. De oorlog duurde tot 1678 en pas toen er vrede werd gesloten kon de getroffen stad zich een beetje herstellen. Er was, zowel in materieel als menselijk opzicht, enorm veel schade aangericht. Huizen en vestingwerken waren vernietigd en het herstel duurde jaren. In Harderwijk herstelde men de poorten en muren waarvan men nu het belang wel had ingezien. Gelukkig bleef de stad verdere strijd bespaard en kon men zich geleidelijk herstellen van deze vernietigende overmacht.

GARNALEN PELLEN, EEN MOOIE BIJVERDIENSTE

Een van de diersoorten die vroeger in de Zuiderzee voorkwam was de garnaal. Deze kreeftachtige leefde in de ondiepe wateren van de Knar en werd met mandenvol gevangen door de Zuiderzeevissers. Vooral de walvissers, die met kleine punterachtige scheepjes langs de kust visten, voerden ze met mandenvol aan.`Is de garnaal tegenwoordig exclusief en duur, vroeger was het volksvoedsel en werd het als een tussendoortje gegeten, zoals tegenwoordig een bakje kibbeling. De garnaal moest, om eetbaar te zijn, gekookt worden en daarna gepeld. Als de diertjes in de kookketel werden gegooid stolde hun vlezige achterlijf en werd kwam hun harde pantser wat losser om het lijf te zitten. Door het dier voorzichtig bij het kopje te pakken kon het eetbare lijfje van de harde schil worden gescheiden, en dat is garnalenpellen.


OGB DesignIn Harderwijk waren rond 1900 zeker vier garnalenpellerijen die soms wel 300 pelsters aan het werk hadden. Voor de Harderwijkse huisvrouwen was dat een mooie bijverdienste.

De manden met ongepelde garnalen werden aan huis gebracht waar het pellen kon plaatsvinden. De gepelde garnalen werden weer opgehaald en de schillen gingen bij het afval. Garnalenpellen gebeurde thuis en naast de vrouwen konden ook kinderen goed meedoen. Het was een mooie bijverdienste voor het hele gezin.


Dat was ook wel nodig want de verdiensten door de visserij waren onregelmatig en vaak nogal karig. Was er veel vis, dan daalden de prijzen, was er weinig aanvoer dan stegen de prijzen, maar was het ook moeilijker vangen. Vissers waren collega’s maar zeker ook concurrenten. En je wilde je concurrent niet laten weten waar de meeste vis zat. Dat geheim wilde het liefst voor jezelf bewaren. De vissers uit andere plaatsen waren natuurlijk nog groter concurrenten dat die uit je eigen dorp ook al waren ze vaak afhankelijk van elkaar. Vissers uit Huizen en Spakenburg traden bijvoorbeeld ook vaak op als viskopers die de vangst op zee al opkochten en naar de veiling brachten. Ze verdienden misschien wel meer met de handel dan met het vissen.

Nog steeds zijn er veel vishandelaren van Spakenburgse komaf.


Naast de vangst van garnalen werd op het zogenaamde ‘nest’ gevist. Dit waren algen, schelpen, kreeftjes, ondermaatse vis en incourante vangst. Het was niet eetbaar maar vormde een krachtig voer voor de eenden op de eendehouderijen in de omgeving. Dus ook het ‘nest’ werd aangevoerd en verkocht. Om het langer goed te houden werd het in de open lucht gedroogd.

Dit veroorzaakte een flinke stank, maar daar was men wel aan gewend. Ook de garnalenpellerij in huis bracht intense geuren met zich mee.


Toch konden gezinnen dank zij dit werk overleven en hun karige inkomen een beetje aanvullen. De garnalen werden naar Amsterdam vervoerd en daar als lekkernij verkocht. Ook werden ze naar Engeland geëxporteerd. De vishandel van de gebroeders Eibert en Beert den Herder verdiende er goed aan. Tot aan 1914, toen kwam door de 1ste Wereldoorlog de klad in de handel met Engeland. Nederland was neutraal maar het bevaren van de Noordzee werd een gevaarlijke aangelegenheid

1503, DE GROTE STADSBRAND IN HARDERWIJK

Op 31 juli 1503, meer dan vijfhonderd jaar geleden brandde Harderwijk tot op de grond toe af. Een ramp die zijn weerga niet kende en die qua omvang niet met huidige rampen te vergelijken is. Het aantal slachtoffers was hoog, hoewel het exacte aantal niet bekend is geworden. Van Harderwijk bleef niets anders over dan een rokende en smeulende puinhoop.


Het verhaal van de vernietiging van Harderwijk vormt geen uitgebreid item in de vaderlandse geschiedenis. Enerzijds komt dit omdat er weinig documentatie van is overgebleven, anderzijds ook omdat dergelijke rampen omstreeks deze tijd veel vaker voorkwamen. De steden in het begin van de Middeleeuwen waren gebouwd, bestonden vooral uit huizen van hout en riet was een goedkope en voor de hand liggende dakbedekking. Het koken vond plaats op open vuren en ook bij ambachtelijke werkzaamheden als ‘bakken’, ‘smeden’ en ‘brouwen’ werd vaak open vuur gebruikt. Niet opletten kon brand betekenen en als de omstandigheden ongunstig waren, bij langdurige droogte of veel wind, wakkerde het vuur aan tot een enorme omvang. De brand moest geblust worden met tonnen water die uit nabij gelegen meren of plassen werd gehaald, maar in perioden van droogte was ook hierin geen water voorradig. Een klein brandje kon zo uitlopen tot een enorme catastrofe van ongekende omvang en zo moet het ook in het Harderwijk van 1503 gegaan zijn.


Of het nu een smederij of bakkerij is geweest, dat valt niet meer te achterhalen. Pater Jan de Waal, afkomstig uit het St. Agnesklooster in Amersfoort was toevallig op bezoek in Harderwijk en kon verslag doen van de brand. Zijn beschrijving is in de stukken van kloosters teruggevonden maar verder is er nauwelijks documentatie of verslaglegging.


De brand was enorm en verwoestend.

Er zouden slechts 7 of in het gunstigste geval 40 huizen gespaard zijn gebleven en het aantal omgekomen slachtoffers varieerde van 1.000 tot 1.500, waar-onder 300 leerlingen van de Gelderse School. Op een bevolking van 3.000 inwoners was dat in elk geval een enorm aantal waarbij nog niet eens de gewonden zijn meegerekend. En in die tijd was er nog geen brandwonden-hospitaal. We kunnen aannemen dat de gewonden in de kloosters in de omgeving zijn opgenomen en dat velen van hun onder verschrikkelijke omstandigheden zijn gestorven. Er waren geen pijnstillers, geen antibiotica en geen mogelijkheden voor plastische chirurgie.


Met het opruimen van de puinhopen en het verwerken van het immense verdriet zal men maanden zijn bezig geweest. De schippers die Harderwijk als Hanzestad aandeden zullen verschrikt zijn geweest van het beeld dat men aantrof en het verhaal van Harderwijk zal mondeling in de havens zijn verteld, tot schrik van degenen die eruit afkomstig waren. Er kwam hulp. Kampen had geld ingezameld voor een kruistocht tegen de Turken maar dat mocht worden geschonken voor de wederopbouw van de Harderwijk. Arnhemmers kwamen, onder leiding van hun burgemeester de ergste puinhopen opruimen en Harderwijk mocht als privilege een eigen munt gaan slaan. Hertog Karel nam de stad Harderwijk in en vestigde er een uitvalsbasis voor zijn soldaten. Omstreeks 1512 brak ook de pest uit en heerste er grote sterfte in de stad.

En, het is geen verzonnen verhaal. Het was de realiteit van 1503. Als we het over ‘crisis’ hebben is het goed nog eens even terug te denken aan die tijd.

HET ONTSTAAN VAN HARDERWIJK

Er is veel geschreven over het ontstaan van Harderwijk of Herderewich zoals het vroeger genoemd werd, maar het meeste daarvan is ontsproten aan de fantasie van schrijvers.

Dat is ook de enige mogelijkheid omdat er geen geschreven bronnen bewaard zijn.

Plotseling dook de naam ‘Herderewich’ in 1231 op in de geschiedenis als een vesting die stadsrechten kreeg van Graaf Otto de 2e van Gelre, vorst van Gelderland en Zuthpen.

Zeker is dat Herderewich als nederzetting is ontstaan aan de noordkant van een beek, die vanuit de Veluwse heuvels naar de kust van het Flevomeer stroomde. Die beek gaf water en het Flevomeer bood visgronden en de mogelijkheden voor vervoer, en dus bleek Herderewich een levensvatbare vesting. De eerste resten van die nederzetting lagen in de buurt van Selhorst, de huidige Albert Heijn supermarkt en daar stond ook de Sint Nicolaaskerk. In die kerk werden goederen samengebracht die jaarlijks werden afgedragen aan de bisschop van Utrecht, naast de Graaf een machthebber van formaat.


De vesting Herderewich ontving de stadsrechten op een door de graaf ondertekende brief en kreeg daarmee het recht een weekmarkt en een jaarmarkt te organiseren. Dat verhoogde de levensvatbaarheid van de vesting, door de weekmarkt trokken boeren en herders, met hun producten naar de stad en ook de klanten kwamen daar. De jaarmarkt was een ander fenomeen; rondtrekkende handelaren, kunstenaars en wonderdokters trokken in de zomer naar de stad en bleven daar een aantal weken. Door de jaar- en weekmarkt won de jonge stad Herderewich aan populariteit en bleef reizigers aantrekken. Die moesten ergens slapen en eten en zo ontstonden de eerste herbergen en logementen. Herderewich werd een belangrijke stad in de streek. In de buurt van de Bruggestraat/Vijhestraat zijn de resten gevonden van stenen huizen en stenen bestrating, heel uniek want de meeste gebouwen waren in die tijd van hout.


De stadsrechten gaven overigens ook plichten.

Zo werd de stad belastingplichtig aan de vorst en moest de jonge vesting beschermd worden door middel van een muur. Niet alleen aan de landzijde dreigde gevaar, maar ook aan de zeekant waar het onvoorspelbare water altijd een dreiging vormde. In de muur kwamen diverse toegangspoorten, aan de landzijde de Smeepoort, de Luttekepoort en de Grote poort, aan de Zeezijde de Hoge Bruggepoort en de Lage Bruggepoort, tegenwoordig bekend als de Vischpoort. Deze poorten waren afsluitbaar en goed te bewaken. Zo konden de burgers van Herderewich rustig slapen.


Hoewel, in de vroege eeuwen dreigde overal gevaar. Ziekte en rampspoed konden zomaar toeslaan en dat gebeurde regelmatig; besmettelijke ziekte, de grillen van een vijandig leger, brand of misoogst, het hing altijd in de lucht en kon mensen zomaar overkomen.

Toch werd Harderwijk een levensvatbare vesting, waar ambachtslieden, burgers en vissers woonden en werkten. Harderwijk groeide…